Empirisme en rationalisme in het denken van Aristoteles

Essay geschreven voor het vak “Grondslagen van de natuurkunde”. Voor een minder bombastisch stukje over epistemologie en Plato kunt u hier terecht, en hier is Aristoteles himself.
Spot de niet onderbouwde stelling!

Als tijdgenoot en leerling van Plato, de rationalist pur sang, is het gemakkelijk Aristoteles alleen in contrast te zien en hem tot pure empirist te verklaren. In werkelijkheid had zijn filosofie ook sterke rationalistische elementen. Hij vond dat ware kennis door deductie wordt vekregen, en ook zijn leer van de doelen en potentieel/actueel zijn is sterk rationalistisch. In dit essay zal ik echter onderbouwen dat Aristoteles in de eerste plaats een empirist is. Al toetste hij niet aan de waarneming zoals dat in de moderne natuurwetenschap gebeurt, toch is de waarneming begin- en uitgangspunt van zijn kennisverwerving.

Waarheidsvinding begint volgens Aristoteles bij de waarneming: we hebben geen aangeboren kennis (1) of herinneringen uit een voorgaand leven, zoals bij Plato. Dit is duidelijk een empiristische houding. Maar de tweede stap is rationeel: net als de Ionische natuurfilosofen (2) hanteert Aristoteles de intelligibiteitseis. Alleen waarnemen is niet genoeg, we moeten de verbindingen in de catalogus zoeken. En dat kan alleen via de ratio.

Ware kennis verkrijg je door op basis van “zelfevidente” axioma’s logisch door te redeneren. Die zelfevidentie (3) lijkt een puur rationeel argument. Het zou een eigenschap van de menselijke geest zijn om “ware” axioma’s te herkennen. Maar Aristoteles spreekt niet zozeer over een aangeboren intuïtie, maar bedoelt (4) bijvoorbeeld de ervaring die een hondenfokker tijdens zijn leven opdoet waardoor hij weet wat een hond precies is.

Dit “weten wat een hond precies is” is een voorbeeld van Aristoteles’ vormentheorie. Ook hier geeft hij een sterk empirische draai aan wat voorheen puur rationeel was. Volgens Plato zijn alle eigenschappen die een organisme of object maar kan hebben (fysieke vorm, kleur, maar ook “goedheid” of “schoonheid”) imperfecte afspiegelingen van iets wat zich in een andere, echte wereld bevindt.

Aristoteles ziet dat anders: vormen zijn direct verbonden aan dat wat ze vormgeven, en als ze geen expressie in de fysieke wereld hebben bestaan ze ook niet. Het concept “rood” bestaat alleen als er ook echt rode dingen in de wereld zijn.

Dat elke vorm verbonden is aan zijn object wil niet zeggen dat er geen dwarsverbanden bestaan. Zowel mijn bank als de kussens daarop geven uitdrukking aan dezelfde vorm “rood”, en alle honden hebben de vorm “hond” – dat waardoor een hond een hond is en een kat niet. Deze algemene vorm is hetgene waar we door onze ervaring ware axioma’s over op kunnen stellen. Daarnaast (5) heeft ieder object specifieke vormen. Dit verklaart de verschillen tussen individuele honden. En ook hier zien we een empirische houding: al deze vormen ontdekken we door waarneming, niet via een Platoniaans “innerlijk oog”.

Toch heeft Aristoteles ook elementen die echt puur rationeel zijn. Zo kende hij de getallen een bijzondere plaats toe die verder gaat dan materie-gebonden vormen.(6) Hoewel hij niet zo ver gaat om een vormenruimte voor ze op te richten erkent hij dat een getal los van zijn uitdrukking bestaat. Dat maakt het ook mogelijk om een getal nul en het begrip oneindig te hanteren.

Het idee van oneindig past hij dan ook toe in een van zijn meest rationele redeneringen:(7) de ontkenning van het atomisme. Materie, zegt Aristoteles, kan worden beschreven door (Euclidische) geometrie. De lijnen die daarin voorkomen zijn in oneindig kleine stukjes te delen. Het kan dus niet zo zijn dat materie eindige onderdelen bevat.

Op die manier had Aristoteles nog meer rationele theorieën, zoals die van het vacuüm (8) dat niet kan bestaan. Maar al zijn puur rationele ideeën betroffen onderwerpen die in de oudheid niet voor onze directe waarneming toegankelijk waren. Had hij toegang gehad tot een vacuümpomp of kennis genomen van de atoomtheorie, dan had hij zijn axioma’s aangepast. Daarom is Aristoteles in de eerste plaats een empirist.

(1) [1], p.11; (2) [1], p.3; (3) [1], p.11; (4) [2], p.48
(5) [2], p.48; (6) [3], p. 217; (7) [3], p. 217; (8) [1], p.13

[1] D. Dieks, Reader: Filosofie / grondslagen van de natuurkunde, Universiteit Utrecht, 2009-2010.
[2] D. C. Lindberg, The Beginnings of Western Science, 2 ed., The University of Chicago Press, 2007
[3] E. Hussey, Aristotle and Mathematics, in “Science and Mathematics in Ancient Greek Culture”, edited by C. J. Tuplin and T. E. Rihll, Oxford University Press, 2002.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.