Some hints for aspiring choir librarians (and choir members)

  1. If you provide 22 copies of music for 17 choir members, you will be three copies short.
  2. Publishers will be slow, the copier will break down, and the conductor will forget to tell you about a programme change.
  3. Realise that you live on a different plane of existence from the other choir members. They are actually only able to see you if there is something wrong with their music.
  4. If they are allowed to take the music home, several choir members will accidentally leave their copies “on the piano”. Some appear to own six or more pianos.
  5. There is no good way to file Christmas carols.
  6. As soon as you have finished putting everything away, and not a moment earlier, a complete set of the service music will appear on the windowsill in the choir room.
  7. Upon entering the church, choir members lose the ability to put numbered sheets in the correct order (this appears to be related to their loss of the ability to count, a sad fact mostly appreciated by conductors).
  8. Large amounts of sheet music warp space and time in such a manner that filing something in a certain place does not actually guarantee one will find it there later. Where “later” is any amount of time larger than thirty seconds.
  9. If there are multiple possible ways of filing a piece, all roughly equally logical, it will be filed according to the rule/name you are not thinking of.

There is actually no such thing as hell. It just happens that heaven has a lot of low-ceilinged, cobwebbed little attics and crypts in which reside the Choir Celestial’s libraries, cared for by the heavenly guild of choir librarians. There is much wailing and gnashing of teeth, and also papercuts. Be good to your librarian or you might end up as one. For eternity.

Wat is een definitie?

Het blijkt alleen al uit het gegeven dat je eindeloos kunt praten over wat een natuurwet is: definities zijn ontzettend lastig en ontzettend belangrijk.

Dat wisten we als mensheid al langer, trouwens. Zie bijvoorbeeld Genesis waar Adam zich een slag in de rondte zit te naamgeven en alles in de soep loopt als blijkt dat “naaktheid” een definitie heeft gekregen.

Je kunt een hoop lol beleven aan een uitspraak als “de lucht is blauw.” Wat is “blauw”? Wat is “de lucht”? Wat is “is”? Dat lijkt misschien gezeur in de marge, maar het zijn geen vanzelfsprekende vragen. Probeer ze maar eens goed te beantwoorden.

Het zoeken naar goede definities is vaak stap 1 in het formuleren van wetenschappelijke vragen. Waarom komt er vanuit de gaslaag die onze atmosfeer is zo relatief veel elektromagnetische straling met een golflengte van rond de 475 nanometer naar ons toe?

Het voordeel van dit meer precieze definiëren is dat je door de componenten van de vraag te identificeren (gaslaag, straling, golflengte) al heel dicht bij het antwoord komt (in het gas buigt licht met een kleinere (blauwe) golflengte meer dan dat met een grotere (rood), daarom lijkt de lucht blauw als de zon hoog staat en rood als ‘ie laag staat, zoals bij zonsopgang, en zit bij een regenboog het rood aan de buitenkant en het blauw aan de binnenkant).

Het nadeel is dat bij grotere precisie het begrip wel eens verloren wil gaan. Wat is een gas nou eigenlijk echt? Wat is elektromagnetische straling? Wat is een nanometer? Van alledaagse begrippen waarvan we meteen weten wat we bedoelen (“blauw”, “lucht daarboven”) zijn we terechtgekomen bij jargon, en in plaats van meer te begrijpen wordt het vaak juist minder.

Daarom is het in het onderwijs zo belangrijk dat je niet alleen leert dat E = ½mv², maar ook wat energie “is” en wat massa “is”. Dat is de enige manier om ook te begrijpen wat er gebeurt in die formule. (Zo goed als iedereen kan dat ook leren trouwens, er is alleen geen tijd voor omdat de eindexamenprogramma’s zo vol zitten, maar dat is een klaagzang voor een andere keer.)

Er zit ook een grens aan onze kennis, een grens aan het begrip, en daar loop je via de definities tegenaan: straling is fotonen zijn ijkbosonen (huh? o ja de quanta van het ijkveld) zijn… o wacht, we moeten het Higgs-deeltje nog vinden, de rest weten we niet zeker. En we hebben dus nog steeds niet ECHT gedefiniëerd wat “blauw” is. Laat staan het over Picasso’s blauwe periode gehad, want “blauw” bestaat niet alleen als labeltje bij een golflengte maar ook als iets waar we als mensheid mee bezig zijn.

Te exact, of te uitgebreid, willen definiëren is dus ook niet zo nuttig. We moeten per situatie een passende middenweg vinden. Maar wat blijkt is dat het tussendoor af en toe uitpluizen van de definities een heel goede oefening is om op een rijtje te krijgen wat we wel en niet weten.

Prutsen met definities is de core business van de (wetenschaps)filosoof. En je kunt het niet genoeg oefenen. Dus, vertelt u mij eens, wat is een vuilniszak?