Wat mot je

Als iemand die haar geld verdient met computeren ben ik voor veel mensen in mijn omgeving hét aanspreekpunt voor computerdingen. (Gek genoeg komen ze vervolgens nooit met decennia oude databases aanzetten, het computerding waar ik het beste in ben.)

Er zijn ruwweg twee soorten vragen wat betreft computerdingen: de praktische (hoe laat ik mijn computer X doen?) en de retorische (waarom doet dit programma X? / waarom kan dit programma niet Y?)

Die laatste is natuurlijk niet bedoeld om te beantwoorden (want retorisch). Maar dat kan wel, heel makkelijk zelfs. In alle gevallen is het antwoord omdat software maken verrekte moeilijk is.

Dat heeft niets te maken met programmeertalen die er onbegrijpelijk uitzien (programmeren is niet moeilijk namelijk).

Software maken is iets uit niets maken, en iets uit niets maken is vreselijk lastig (vraag maar aan God). Het is alleen al bijna onmogelijk om op te schrijven wat je nou eigenlijk wil dat de software gaat doen. Zie, bijvoorbeeld, brood:

Vanavond was ik fijn aan het multitasken: ik zat aan de keukentafel aan een requirements-document te werken (oftewel, een lijstje van dingen waaraan een nieuw programmaatje van ons moet gaan voldoen) en ondertussen bakte ik een brood, of eigenlijk de oven bakte een brood en ik zat ernaast. Toen dacht ik, goh, was ons programmaatje maar zo simpel als brood bakken (brood bakken is ook niet moeilijk namelijk).

Maar brood bakken is bepaald niet iets-uit-niets maken. Probeer maar eens terug naar de basis te bedenken waar een brood aan moet voldoen.

  • eetbaar zijn (niet-giftig)
  • voedzaam
  • lekker
  • te snijden met een mes
  • kan beleg bevatten
  • betaalbaar
  • valt niet uit elkaar
  • te kauwen
  • draagbaar (lood krijg je ook in broodjes maar dat is best zwaar in de lunchtrommel)
  • bewaarbaar

Nu heb ik al tien eisen voor iets simpels als een brood. En als iemand iets gaat produceren wat precies aan deze eisen voldoet missen er vast nog heel voordehandliggende dingen waardoor iemand gaat roepen “WAAROM kan dit ding niet gewoon X?”

Dus de volgende keer dat je je in wanhoop afvraagt hoe de ontwikkelaars van de tekstverwerker die je gebruikt in hemelsnaam niet zelf konden bedenken dat het voor iedereen fijner is als je met één klik wisselende konijntje-silhouetten als bulletpoint in kunt stellen, probeer dan eens een lijstje te maken van alles wat het ding verder moet kunnen. Dan weet je wel waarom.

Waarom verdienen tweeverdieners meer dan eenverdieners?

Wat je er ook van vindt, tweeverdieners betalen minder belasting dan éénverdieners. En die betalen weer minder dan een alleenstaande.

Hoe kan dat? En bestaat de ‘aanrechtsubsidie’ echt? (Spoilers: ja.)

We vergelijken twee stellen die fiscaal partner zijn, en een aantrekkelijke vrijgezel. Stel 1 verdient ieder 30.000 euro bruto, van stel 2 verdient één partner niets, de ander 60.000 euro bruto. De vrijgezel verdient in haar eentje 60.000 euro bruto. Nu gebeuren er de volgende dingen:

Inkomstenbelasting

In Nederland is de inkomstenbelasting progressief: hoe meer je verdient, hoe meer belasting je betaalt. Dit is gelijk al jammer voor stel 2, maar het scheelt niet zo heel veel: stel 1 is 21.900 verschuldigd, stel 2 en de vrijgezel 22.274,17.

Verschil: 374,17 euro.

Valt mee, oui? Maar wacht, want niemand hoeft dit hele bedrag te betalen. We hebben namelijk ook…

Algemene heffingskorting

DadadaDUMMMM. Hier is ‘ie dan. De algemene heffingskorting is een korting op de belasting die je moet betalen, voor iedereen. Ook… als je geen belasting hoeft te betalen! Hoe werkt dat? Als je geen inkomen hebt en je fiscaal partner wel, mag zij een deel van jouw algemene heffingskorting aftrekken van haar belasting. Dit is wat de ‘aanrechtsubsidie’ wordt genoemd: als je een partner thuis hebt zitten krijg je korting op je belasting.

Let wel: een deel. En hier beginnen de verschillen dus op te lopen. De aanrechtsubsidie is fijn, maar als je dan toch een partner hebt kun je die beter betaald achter iemand anders’ aanrecht zetten.

Ten eerste is namelijk ook de heffingskorting inkomensafhankelijk: hoe meer je verdient, hoe minder heffingskorting. Zo krijgen onze heldinnen van stel 1 ieder 1966,87 euro heffingskorting. De werkbij van stel 2 krijgt maar 1342 euro, dier partner 2203 euro. De vrijgezel krijgt alleen haar eigen 1342 euro. Totaal voor stel 1: 3933 euro. Stel 2: 3545 euro.

Als we dit even aftrekken van de inkomstenbelasting tot nu toe betaalt stel 1 17.966 euro, stel 2 18.729. Een verschil van zo’n 800 euro. Kun je best wat boeken van kopen. Maar zoveel scheelt het nog niet. En dit verschil komt totaal door het progressieve belastingstelsel, wat nog verzacht wordt door de aanrechtsubsidie.

We zijn dan ook nog niet klaar met de heffingskorting. Tot nu toe gingen we ervan uit dat stel 2 de hele heffingskorting van de niet-werkende mag gebruiken, maar dat is niet zo. Het overdraagbare gedeelte (heerlijke terminologie) is iets meer dan de helft van de korting, waardoor het totaal van stel 2 uitkomt op 2517 euro en hun belasting op 19.757 euro.

Verschil stel 1 en stel 2: 1790 euro.
(Verschil stel 1 en de alleenstaande: bijna 3000 euro! Liefde loont.)

Arbeidskorting

Maar we zijn er nog niet! Er is nog een heffingskorting: de arbeidskorting, gratis korting voor iedereen die werkt, oftewel onze heldinnen van stel 1, de werkbij van stel 2 en de vrijgezel. Ook deze is, u raad het al, inkomensafhankelijk. Jammer dus voor stel 2 en de vrijgezel.

Stel 1: 2x 2220 euro = 4440 euro
Stel 2: 1811 + 0  = 1811 euro
Vrijgezel: 1811 euro
Totaal belasting stel 1: 13.526 euro
Stel 2: 17.946
Vrijgezel: 19.121

Op basis van deze drie regelingen is het verschil dus meer dan 4000 euro voor de éénverdiener ten opzichte van de tweeverdieners, en zelfs 5.500 voor de vrijgezel ten opzichte van de tweeverdieners. Ik presenteer dit verder zonder commentaar, eventueel kan ik u aan één van mijn heel leuke alleenstaande collega’s voorstellen.

Overige kortingen, bonussen en ingewikkeldheden

Bovenstaande is niet het hele verhaal, we keken namelijk alleen naar een relatief jong stel zonder kinderen. Als je oud bent krijg je een fiscaal complimentje voor aan het werk zijn. Die is ook inkomensafhankelijk, dus tel maar op. Verder zijn er nog allerlei toeslagen en kortingen en aftrekposten en weet-ik-wat die we voor het gemak even negeren.

En dan is er nog het grote pijnpunt van de confessionelen: de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Voor stel 1 en stel 2 betekent dit, als ze allebei kinderen onder de 12 hebben tenminste, dat het verschil nog eens met 2000 euro toeneemt.

Deze regeling is specifiek voor werkende ouders (die niet samen hoeven te wonen – co-ouders die de zorg delen mogen hem ook), geldt voor de minst verdienende partner, en loopt op met het inkomen (tot een bepaald bedrag): hoe meer je verdient, hoe meer korting.

Neem gerust even een momentje om puur op basis van deze eigenschappen te contempleren wat hier de politieke motivatie achter zou kunnen zijn en waarom de SGP er zo op tegen is.

Eerst zien

Een gedeelde herinnering voor mijn generatie, en misschien ook wel een paar generaties voor en na ons: ergens in de eerste klas van de middelbare school, biologieles. Als je binnen komt lopen zie je de microscopen in slagorde klaarstaan. En na wat gepruts met focus en oculair is ‘ie daar, de magische wereld van ui-cellen en de beestjes die in de Leidsevaart blijken te leven en je eigen wangslijmvlies.

Op dat moment zegt helemaal niemand ‘ik verwerp deze waarneming, want het is een machinaal geproduceerd beeld waarvan de overeenkomst met de werkelijkheid niet vastgesteld kan worden.’

Tenzij één van je medebruggers afstamt van de 17e-eeuwse party poopers die het feestje van Galileo Galilei (avec telescoop) en Antonie van Leeuwenhoek (die dankzij z’n microscoop heel veel kon zeggen over zijn eigen sperma) kwamen verpesten. Want die mensen waren er, die vonden dat de enige ware observatie de directe observatie is. Wel later dan de 17e eeuw ook nog trouwens.

Nou is dit in tijden van MRI en STM eigenlijk weer een heel interessante en actuele stelling geworden, maar dat is voor een andere keer. Ik moest vooral aan de 17e-eeuwse proto-contactlenshaters denken vanwege een paper waar ik tegenaan liep omdat ik voor de leuk wat kunstmatige intelligentie-dingen doe.

‘A Critique of pure vision’ is een paper uit 1994 van een filosoof en twee neurowetenschappers waarin ze met name het idee willen ontkrachten dat het doel van zien is om een beeld van de werkelijkheid in je hoofd te krijgen. Daar doen ze 25 pagina’s over met ondertussen heel veel leuke terzijdes over gezichtsbedrog en computervisie etc., zeer het lezen waard. Ik werd vooral geraakt door de essentie van hun stelling: zien is niet een proces zoals het projecteren van een film op een scherm, waarbij de informatie uit de buitenwereld netjes één op één wordt overgezet op het ‘scherm’,  onze hersenen, of zo je wilt ons bewustzijn.

In plaats daarvan is zien niets meer (of minder) dan een proces dat gegroeid is met als doel ons een betere interactie met de wereld te geven, en daarom onlosmakelijk verbonden met bijvoorbeeld beweging en de andere zintuigen.

Toen ik dat las klikte er zoveel op zijn plaats. Bijvoorbeeld: onze ogen zijn niet voor alle kleuren licht even gevoelig. Sommigen zien we veel sterker dan anderen en sommigen zien we helemaal niet. Ultraviolet zien wij niet, bijen wel. Hoe ziet de wereld er dan écht uit? Die vraag kun je loslaten als je je realiseert dat ‘zien’ per definitie een subjectief proces is.

Zien is iets wat we leren, zowel als diersoort (via evolutie) als als individu (hierover zijn een hele hoop heel nare experimenten met kittens te vinden). We zien dingen nooit ‘neutraal’: alles wordt altijd gefilterd in categorieën als ‘eng’, ‘interessant’, ‘prettig’, ‘irrelevant’, en die indeling verschilt per persoon. Wat je ziet gaat eigenlijk niet over de pure buitenwereld, maar over de relatie tussen jezelf en die buitenwereld.

Dat was voor mij een nieuwe gedachte.

Ik vraag me af wat onze microscoophaters hiervan zouden vinden. En Plato, met z’n grot.

 

 

 

 

Liefde in tijden van heffingskorting

Ik val door de mand, lieve flatscreenvrienden. Ik word gedwongen jullie een onthulling te doen. Hopelijk is het niet te confronterend.

Hier ter blogge (en in het echte leven) refereer ik regelmatig aan een zeker persoon als ‘mijn fiscaal partner’. Dat is feitelijk correct. Daarnaast wekt het bij sommigen een bepaald beeld op wat ik graag aanmoedig (dat wij een onromantisch, cerebraal, kil, onaangenaam en buitengewoon burgerlijk stel zijn) want gevoelens en zo, daar houd ik niet zo van.

Maar, lieve lezer, ik geef het toe, ik deel mijn leven niet alleen met meneer W. vanwege zijn aantrekkelijke algemene heffingskorting. Dat mijn hart sneller gaat kloppen komt niet slechts door zijn heerlijke overdraagbare belastingvrije ruimte in box 3. Er speelt hier meer. Ter illustratie zal ik even de SGP erbij halen.

De heer Dijkgraaf (die ik overigens best hoog heb zitten qua politicus, laat dat duidelijk zijn) vergelijkt hier verschillende inkomensscenario’s voor een stel met kinderen onder de twaalf jaar (daardoor krijgen ze de ‘IACK’, onderste regel van de opsomming). Wat hier te zien is, is dat twee mensen die elk de helft van een bedrag X verdienen minder (soms zelfs veel minder) belasting betalen dan als één persoon geen inkomen heeft en de ander het hele bedrag X betaald krijgt.

Nu is de heer Dijkgraaf hoogleraar ’empirische economie van de publieke sector’ dus hij weet zelf ook wel waarom dit zo is. Voor wie dat niet weet legt de staatssecretaris het nog even uit. Bottom line: WE ARE ALL INDIVIDUALS. De overheid behandelt ons wat dit betreft niet anders als we getrouwd zijn. (En dat moeten we ook niet willen, want daarom zijn we niet getrouwd. Hopelijk.)

JA MAAR roepen de christelijke partij en de SGP en het CDA, het gaat hier ook om mensen die heus wel willen werken maar niet kunnen want werkloos of ziek of mantelzorger.

Goed nieuws, werklozen, zieken en mantelzorgers! De overheid zorgt voor jullie! Het enige wat je hoeft te doen is… iemand met een inkomen versieren. Mocht je geen leuke werkende m/v kunnen vinden, tsja, helaas hebben we de WW verkort, het eigen risico verhoogd en de thuiszorg laten verdwijnen dus verder zijn jullie genaaid, maar hee, we hebben ons best gedaan voor dat deel van jullie dat tenminste gewoon netjes getrouwd was!

O en nog een keer voor de duidelijkheid, die trouwbonus geldt natuurlijk alleen als er iemand werkt.  Als je AOW of bijstand krijgt gaan we er vanuit dat je juist minder nodig hebt met z’n tweeën. Vraag niet naar de logica, daar krijgen wij hoofdpijn van.

Ik ben dit jaar kostwinnaar hier in huize Epische Achternaam. Dat hebben we zo afgesproken omdat we dachten dat wij als team een stuk blijer zouden zijn als mijn fiscaal partner iets anders ging doen met zijn carrière. Daar wil ik best voor lappen. Als ik voor die keuze extra belastingkorting zou krijgen komt het erop neer dat de vrijgezellen in Nederland meebetalen aan W’s opleiding. Nou doet hij toevallig iets heel wereld- en economieverbeterends dus het is best een goede investering van de vrijgezellen, maar om het ze nou zomaar op te leggen, dat lijkt me nou ook weer niet helemaal eerlijk (mail me voor ons rekeningnummer).

Als twee mensen besluiten voortaan samen boodschappen te doen en/of kinderen op te voeden en/of elkaars kots op te ruimen in geval van buikgriep, dan is dat heel prachtig. Ben ik blij om. Vind ik leuk. Zeker doen. Aanrader, ook, zou ik zeggen. Als één van hen niet kan werken, om welke interne of externe reden dan ook, dan moet die steun krijgen van de samenleving – onafhankelijk van of hij of zij alleenstaand is of getrouwd met een miljonair, want wij bekommeren ons om onze unieke landgenoot zelf, niet om hem als half stel, dat moet hij zelf maar uitzoeken.

Als één van hen niet wil werken, dan zou er ook hetzelfde moeten gebeuren onafhankelijk van of hij of zij alleenstaand is of getrouwd met een miljonair: niets. Want elke euro belasting die iemand terugkrijgt omdat haar partner niet werkt is er één die door iemand anders moet worden betaald. Iemand die er voor gekozen heeft om wél te werken. En dat is toch wel heel raar.

Update: ik heb analoog aan de heer Dijkgraaf een rekenvoorbeeldje gemaakt. Niet analoog heb ik ook vrijgezel Nederland meegenomen.

Hier en nu en nooit weer

“Ik kan zien dat het niet goed met je ging toen je thuiskwam,” sprak mijn fiscaal partner, “want je schoenen liggen onder de tafel en je sleutels op het aanrecht.” Of: hoe jaren van zijn zorgvuldige opvoeding in één middag teniet konden worden gedaan. Toen ging hij vegachocoladevla voor me halen.

Vandaag voerde ik een cognitief experiment uit: fietsen met buikpijn. Buikpijn van het soort dat ik niet meer meegemaakt had sinds ik in 1999 stopte met groeiremmers slikken. Krimpende, overdoses paracetamol negerende, hoe-kan-iemand-denken-dat-God-een-vrouw-zou-zijn buikpijn. Ik was op mijn werk, moest naar huis, en fietsen leek me de beste optie om dat te bereiken – onverstandig, maar met machtig interessante gevolgen.

Ik kan me stukjes van de route herinneren: bij de Singel dacht ik bijvoorbeeld na over de hoek van de opening van een vuilnisbak en of dat makkelijk of moeilijk zou zijn om in over te geven voor iemand van mijn lengte (waarschijnlijk moeilijk). De blaadjes op de grond waren nog steeds mooi, dag blaadjes. Een auto reed rakelings langs me, dag auto, ben je daar ineens, zat ik niet op een fietspad, o nee, ik ben NU pas op het fietspad, dag fietspad.

Ik sloeg af, constateerde dat ik mezelf zo op ramkoers met een voetganger positioneerde, nam zonder om te kijken een scherpe bocht naar links over 3 meter grassige berm waar mijn dunne wieltjes niet op zaten te wachten, en ging verder over genoemd fietspad, waar ik vrijwel direct werd ingehaald. Wat onwillekeurige mentale vectorcalculatie (dat ging dan weer prima) leidde tot de conclusie dat ik deze fietser zo goed als zeker zojuist bijna van zijn/haar sokken had gereden.

Goh, dacht ik, normaal heb ik het vaak door als ik iemand bijna van z’n sokken rijd. Nu ik er eens over nadenk, normaal lijkt de wereld… groter.

Nu houdt ‘ie op aan de zijkanten van mijn beeld en trouwens, mijn beeld lijkt nogal klein.

Op dat moment had ik door dat mijn hoofd, druk met het verwerken van de prikkels van onder mijn navel, de rest van mijn zintuigen en cognitieve vaardigheden een stuk minder resources had toebedeeld dan waar ze aan gewend waren.

Die realisatie veranderde helemaal niets. De wereld hield nog steeds op aan het eind van mijn blikveld. Ik had oogkleppen op, wist het, en kon ze alsnog niet afzetten.

Ik bedacht me dat het misschien niet een van mijn briljantere ideeën was geweest om op de fiets naar huis te gaan. Maar het kwam niet bij me op om alsnog te gaan lopen. Mijn gedachten waren

HUIS
IBUPROFEN
KRUIKJE
KRUIKJE
HUIS
VOETGANGER hallo voetganger oeps sorry dag
BOCHT
HUIS

Toen was ik thuis (en liet ik mijn sleutels op het aanrecht liggen, mijn jas op de bank, m’n schoenen onder de tafel, etcetera).

Wat ik nou zo machtig interessant vind aan deze episode: mijn hoofd was overgegaan naar een andere modus, en op een gegeven moment had ik dat door! Ik wist: ik mis hier iets. De wereld doet dingen die ‘ie normaal niet doet (ophouden), fietsers en auto’s doen dingen die ze normaal niet doen (zomaar verschijnen), en volgens mij ligt dat aan mij.

Ik had een kwartier nodig om daar achter te komen, en toen ik er achter was kon ik er eigenlijk niets mee (anders was ik wel afgestapt), maar ik had het wel door. Dat geeft de burger moed! Want zoals algemeen bekend barst het menschelijk brein (waar de mijne er eentje van is) van de denkfouten, en meestal zijn we ons daar totaal onbewust van. Ik heb nu gevoeld hoe het is als mijn hoofd in de modus minder-dan-normaal schiet en ik vraag me af of als ik goed oplet ik datzelfde gevoel kan krijgen wanneer ik in mijn normale toestand iets aan het missen ben. Bijvoorbeeld dat ik misschien niet gelijk heb (omdat ik alleen kijk naar dingen die mijn beeld bevestigen) of het bestaan van sloten vergeet als ze niet breed genoeg zijn om op te roeien (zo vergat ik totaal dat ik elke dag langs een sloot fiets en ‘ontdekte’ toen ik bij een kruispunt had afgesproken ineens dat daar een brug was). Om maar wat onhandige en minder onhandige denkfouten te noemen.

Dankzij een fijn staaltje chemie en biologie werkt mijn brein weer op normaal vermogen. Ik zou mezelf nog niet met een boormachine vertrouwen, maar ik heb wel een stukje code ingecheckt. En ik hoop dat mijn ervaring van fietsen met de mentale noodgenerator me verder gaat helpen met de dingen die mijn hoofd nu nog steeds weigert door te geven.