Kijkvoer: Winners

Mijn handen zijn niet zo mooi. Ten eerste ben ik een nagelbijter, ten tweede zitten er een paar knokkels scheef sinds ik een ontstekingsepisode had op mijn 23ste, en om het af te maken zitten mijn handpalmen en vingers onder de blaren en het eelt en de knokkels van mijn rechterhand onder de krassen en littekens. Want ik roei.

Ik ben behoorlijk skinny, maar ik kan geen skinny jeans aan. Die krijg ik niet over m’n dijen. Want ik roei.

Over die dijen gesproken, zelfs eind februari vertonen die nog een haarscherpe overgang van extreem wit naar behoorlijk wit, op de hoogte waar mijn roeipakjes ophouden. Wat betekent dat ik er altijd hilarisch uit zal zien in een badpak. Want ik roei.

Zelfs als amateursporter (en goeie hemel, wat ama ik van roeien) ontkom je niet aan het doen van concessies aan sommige definities van vrouwelijkheid. Zoals het zijn van een teer poppetje met dijen die elkaar nergens aanraken (wtf) met een kleuring alsof je normaal alleen naakt buiten komt (nogmaals, wtf) en handen die eruitzien alsof je leven uitsluitend bestaat uit hapjes nemen van een tros druiven die door een aantrekkelijke kerel op de goede hoogte wordt gehouden (bel me).

En dan ben ik nog wit en Nederlands en met een baan waarmee ik de rekeningen kan betalen en ‘s avonds op de bank een beetje aan m’n handeelt kan zitten pulken en filmpjes kijken op het internet.

Het is niet alsof ik les geef aan de universiteit, een kind heb en voor het dilemma sta dat lichaamsbedekkende badpakken zijn afgeschaft terwijl ik net had besloten om hijab te gaan dragen uit dankbaarheid voor mijn succes in de modderfokkende pentathlon (alleen al het overleven van een pentathlon is m.i. een schier bovenmenselijke prestatie).

Of dat mijn oude trainingslokatie met kakkerlakken en al elk jaar overstroomt maar ik toch maar een medaille scoor op de Commonwealth Games en nu mijn hele provincie op mij rekent om ons voor het eerst echt op de kaart te zetten.

Of ik polio had en in een bergdorp woonde en dacht dat ik nooit vrienden zou hebben en alleen maar mijn ouders tot last zou zijn tot iemand me een keer een zwembad in flikkerde (snif).

Klik onderaan de BBC-site verder voor nog drie filmpjes van prachtige vrouwen! En wat opvalt is dat er geen diva te bekennen is. Alle zes: ik wil dit doen voor mijn familie. Ik wil dit doen voor mijn kinderen. Ik moet beter zijn dan de beste want anders onthoudt niemand dat iemand als ik dit kon. Of juist: ik hoef niet de beste te zijn, ik hoef alleen maar een klein zwart meisje te laten zien dat iemand als zij dit kan, en misschien wordt zij wel de beste. Eet dat, Sven Kramer.

Ze maken me trots om een sportende vrouw te zijn.

Memento

De dood zit op de trap in mijn huis een beetje voor zich uit te fluiten. Hij is er niet voor mij, maar dat maakt niet uit. Er is genoeg voor ons allemaal.

Hij is een attente gast: hij zit naast me in de trein, kijkt mee wat ik lees en geeft af en toe een kneepje in mijn schouder. Bij anderen is hij een etter die driemaal per uur het tapijt onder hun voeten uitrukt, dus ik kom er prima vanaf. En je zou soms bijna vergeten dat hij met name met zijn core business bezig is.

Net zoals rouw heeft ook zorgen voor rouwenden zijn vijf stadia. Die zijn: wifi- en telefoonverbindingen opzetten, mokken thee in handen drukken, praten over dingen die niet te zeggen zijn, opnieuw thee zetten en symbolen zoeken. Zo slaapt mijn moeder vannacht met mijn afgestofte oude teddybeer. Morgen komt haar man ook, die is zelf een symbool, dat scheelt.

Het oplossen in het niets van iemand die er voor zover wij weten altijd is geweest blijft theoretisch onmogelijk. We gaan het meemaken.

 

Luistervoer: Hamilton

Ik werd wakker en was geobsedeerd door een hip-hop/R&B-musical over een Amerikaanse dude uit de pruikentijd.

De New York Times zegt er pijnlijke dingen over als “You might even call history the evening’s D.J., making sure there’s always something to dance to.” De kaartjes kosten vanaf 200 euro en oh ja, hij speelt alleen in New York, dus ik denk niet dat ik ‘m ooit in het echt ga zien. Gelukkig kun je online luisteren. En met Wikipedia ernaast heb je wel genoeg om het verhaal te kunnen volgen.

Wat ik zo geweldig vind aan deze musical is een combinatie van drie dingen: ten eerste is de kwaliteit astronomisch (vooral Angelica kan in één zin een hoeveelheid dingen uitdrukken waarvan ik dacht dat het alleen theoretisch mogelijk was).

Ten tweede geeft het het soort emotionele mep waardoor je het ook leuk vindt als je nooit op school hebt gehad wie die Hamilton nou was (een vriend wordt rivaal! Een seksschandaal! Revolutie! Duels! Driehoeksrelaties van onduidelijke intensiteit!) met als hoogte- of dieptepunt ‘Quiet Uptown’, waarin het karakter Hamilton meer ontwikkeling doormaakt dan je in een doorsnee roman mag verwachten – ervoor is hij een geobsedeerde workaholic met een huwelijk in de kreukels, nu loopt hij pratend tegen zijn dode zoon door de stad, en probeert zijn vrouw door haar rouw heen te helpen. (In het liedje doen ze ook nog een hoop slimme dingen met herhaling van themaatjes eerder uit de musical en zo, maar ook als je de rest niet hebt gehoord is het mooi. Best knap.)

Ten derde, zoals de verteller direct na de tranentrekker van daarnet roept: “Allright, back to politics!” Hamilton was een ‘Founding Father’: hij vocht in de Amerikaanse revolutie en was de eerste minister van financiën van de Verenigde Staten (in het kabinet van Washington). O en hij werd geboren als bastaard op de Caraïben en werd al jong wees. Hij crowdsourcete zijn eigen opleiding en had een beetje last van geldingsdrang.

De ‘Founding Fathers’ worden natuurlijk niet voor niets ‘fathers’ genoemd, wijze heren die we, altijd keurig bepruikt, nog terug kunnen zien op olieverfschilderijen, dollarbiljetten en Mount Rushmore. Maar de Amerikaanse revolutie werd gedragen door dezelfde mensen als alle andere revoluties: met name jonge mannen, twintigers, nogal vol van zichzelf, die tussen het revolutie-en ook elkaar de tent uitvechten. En dat bubbelt ook uit de musical. Persoonlijk vind ik historische figuren zo een stuk leuker dan als ze opgeprikt als dode vlinders achter het glas zitten.

(En soms denk ik, hoeveel verschillen zij uiteindelijk nou van andere revolutionairen, die dan niet voor ‘liberty’ maar iets anders zijn? Maar daar moet je een beetje mee oppassen geloof ik.)

Enfin. Ik ben dus wildenthousiast over rappende gasten met gepoederde pruiken. Als je de Wikipedia-synopsis erbij pakt kun je in Youtube de hele musical op volgorde doorklikken. De moeite waard. Vind ik.

 

Leesvoer (3)

Zo. Hoi! Hoe voel je je?

En hoe weet je dat je je zo voelt?

Leuke vraag, houd ik me normaal eigenlijk niet mee bezig. Dit stukje houdt zich er wel mee bezig, ik had het leuk gevonden als de schrijfster er wat dieper/explicieter op ingegaan was.

Voor mij was het een nogal confronterende leeservaring, omdat ik vroeger iemand kende die altijd beter wist dan ik wat ik voelde en vond van dingen en mij dat herhaaldelijk vertelde, al was ik het er niet mee eens.

Ook daar gaat de schrijfster helaas niet echt op in: ze noemt drie situaties waarin het wel okee is als iemand je helpt uit te vinden wat je voelt (twee keer wilsonbekwaamheid en een keer vrijwillige discussie met een vertrouwd persoon). Terwijl de kraai, in het voorbeeld dat ze aanhaalt, ongevraagd over een voor zover we weten niet-wilsonbekwame krekel heen walst. Ze noemt deze situatie ‘vreemd’ en ‘penibel’, maar niet wat het eigenlijk is: wangedrag.

En, zegt ze, dit is niet fictief (om vervolgens de voorbeelden met wilsonbekwame personen te noemen). Inderdaad, dat is het niet. Het is de normaalste zaak van de wereld en we noemen het gaslighting: een ander vertellen dat wat ze gezien hebben of voelen ofwel feitelijk niet klopt, ofwel verkeerd/overdreven/dom is.

Gaslighting kan expres en niet expres. In het slechtste geval is het emotionele manipulatie, een bewuste techniek om te krijgen wat je wilt. In het beste geval (hiep hoi) is het het gevolg van het onbewuste uitgangspunt dat de gedachten/gevoelens van de ander nou eenmaal minder belangrijk of echt zijn dan die van jou.

Dat doen we allemaal. Wie vertrouw je meer, een inwoner van Aleppo die via Skype vertelt dat het allemaal heel vreselijk is, of een Nederlandstalige correspondent die hetzelfde zegt? En van wie is het zijn leven, potdomme?

Als je me niet gelooft heb ik hier een artikel van een man die het zegt, dat is natuurlijk veel aannemelijker (vrouwen zijn namelijk niet te vertrouwen).

Van een persoon die je wilt vertrouwen te horen krijgen dat je niet eens in staat bent te weten wat je zelf vindt is behoorlijk ontwrichtend en niet heel goed voor je zelfvertrouwen. Gelukkig heb ik tegenwoordig vrienden die het interessanter vinden om te horen wat ik zelf denk dat ik vind. Moet ik daar alleen nog achter zien te komen – en zo is het cirkeltje weer rond: op het filosofieblog hierboven krijgen we een mooi theoretisch kader, maar niet echt tips om het daadwerkelijk uit te puzzelen.

Gelukkig zit ik een paar uur per week op een roeimachine met niets beters te doen dan precies dat.

Zen and the art of achterstevoren niet van je plaats komen.