De maat der dingen

“Voor jou,” zei de aardrijkskundeleraar die de sponsorloop organiseerde, “heb ik speciaal een t-shirt apart gehouden.” Hij gaf het aan me met een lieve glimlach. Het was een unisex shirt, maat XL.

Als ik unisex shirts draag, wat ik liever niet doe want ik heb een taille en ben niet bang die te gebruiken, heb ik maat S. Bij vrouwenshirts heb ik meestal L en soms M of XL¹, afhankelijk van het merk. Toch geven mensen me altijd XL als ik ze niet tegenhoud. Ik ben namelijk heel erg lang. En verder dan dat kijken ze niet.

In abstractere vorm heb ik hetzelfde probleem. Mensen zien dat je goed bent in ding X (bijvoorbeeld sokken breien) en gaan ervan uit dat je dan ook wel goed bent in ding Y (bijvoorbeeld zorgen dat je genoeg schone sokken hebt, door de was te doen en zo). Bijna iedereen die ding X kan kan namelijk ook ding Y. Als je ding Y dan niet blijkt te kunnen treden er ineens allerlei onhandige processen op. Mensen gaan denken dat je het gewoon niet wil. Of een beetje beter je best moet doen. Of ding X eigenlijk helemaal niet kan? Als je Y niet eens kan, wat kan je dan wél?

Dit zie je op school, waar van je verwacht wordt dat je 1 schoolniveau hebt en dan Engels en wiskunde en tekenen en biologie op dat niveau doet. Als je dat met de helft van de vakken lukt en de andere helft niet ben je te dom en moet je maar een niveau omlaag. En je ziet het op het werk, waar je bijna altijd alleen door kan groeien als je niet alleen uitvoerend heel goed bent, maar ook planningen kunt maken, delegeren en adviseren.

Voor kleine autistjes, en grote, zijn deze blinde aannames extra vervelend. Een ongelijke verdeling van capaciteiten is een kenmerk van autisme. Zeker als je niet gediagnosticeerd bent kan dat tot grote frustratie leiden, omdat je niet snapt waarom iets niet lukt. Ik kan toch tienen halen voor Engels? Waarom lukt het inleveren van een boekverslag dan niet?

Maar ook als je het van jezelf weet blijft het extreem irritant. Als ik de huisgenoot² niet had zou ik niet meer dan 10 uur per week kunnen werken. Met huisgenoot kan ik werken, studeren, zingen in een koor en wedstrijden roeien. Puur omdat hij ‘s ochtends opstaat, ‘s avonds naar bed gaat, en daartussen drie maaltijden eet en mij vertelt dat ik weer eens moet stofzuigen. Allemaal dingen die ontzettend veel energie kosten als ik het zelf moet bedenken.

Leg dat maar eens uit aan het UWV. “Ja, programmeren is geen probleem, het is meer het lunch opeten waar het bij mij mis loopt.”

Ik vind dit een rottig onderwerp om over te praten, omdat ik geïnternaliseerd validisme heb (dat wil zeggen, ik vind mensen meer waard als ze meer kunnen, ook al weet ik dat dat onzin is) en omdat ik ook zelf de neiging heb om te denken “als je niet eens zelf op tijd naar bed kunt, wat kun je dat wel?” (Nou ja, programmeren dus. En sokken breien.) Ik geef niet graag toe dat ik niet voor mezelf kan zorgen. De verstrooide professor is een charmant stereotype, maar in het echte leven is het gewoon best wel onhandig als je onderbroeken op zijn. Of mensen je hele leven lang te veel of te weinig van je verwachten.

Er is geen makkelijke oplossing voor dit fenomeen. Het enige wat je kunt doen is elk individu leren kennen en niet verbaasd doen als iemand iets niet of juist heel goed blijkt te kunnen.

En mij geen shirts maat XL meer geven. Ik heb al meer pyjama’s dan ik nodig heb.

1. Die shirts zijn inderdaad meestal te kort, maar dat zijn shirts maat XL ook, want die zijn wijder, niet langer.
2. De persoon die op dit blog “de huisgenoot” heet is mijn lieftallige echtgenoot, die ik heb omdat ik hem lief vind, niet omdat hij m’n was doet. Dat laatste is bonus.

Avond

Ik fietste de wolken achterna.
Dit werd bemoeilijkt door de kale feiten dat zij op kilometers hoogte drijven en ik kramp had (in m’n voet).

Ondanks dat me vaak is verweten dat “jij loopt met je hoofd in,” etcetera
kwam ik niet nader dan Zeist.

Toch, als iemand me nu zou vertellen dat hij de wolken achterna gaat fietsen
zou ik het zeker niet afraden, en, denk ik, begrijpen waarom.

Coronadagboek

Ik probeer mijn gedachten deze dagen bij te houden. Die zijn ongepolijst en niet altijd vrolijk, en ik kan me heel goed voorstellen dat je er niet op zit te wachten. Teruglezen kan altijd nog! Let op jezelf.

Wil je ze wel lezen, typ dan “ik wil dit lezen” in het wachtwoordveldje. Poef!

Nederlands Kustpad – deel 2 (Breskens – Domburg)

Mijn oorspronkelijke plan was drie dagen lopen, en vier als het echt leuk was. Ik had drie overnachtingen geboekt in Breskens (de eerste nacht was vòòr de eerste loopdag) want ik dacht voor Zeeuws-Vlaanderen twee dagen nodig te hebben. Voor de eventuele vierde nacht had ik gezien dat er even voorbij Domburg een jeugdherberg is in een gruwelijk mooi oud kasteel, leek me tof.

Die jeugdherberg is er nog, alleen op dit buitenseizoense moment zijn ze doordeweeks niet open. En ik wilde niet terug naar Breskens want het OV in Zeeland is een uitdaging. Gelukkig vond ik een fijn adres via Vrienden op de Fiets, 1 km van de route af in Domburg. Dat betekende een etappe van 25km. Die van 30 van gister was goed te doen dus dat leek me geen probleem.

De ochtend begon met het veer van Breskens naar Vlissingen. Op een holletje, want mijn kaartenapp had optimistisch uitgerekend dat ik 4 minuten zou doen over 800 meter en ik was te slaperig om daar kritisch over te doen. Zondag, van Vlissingen naar Breskens, mocht ik naar een enorme foto van onze koning kijken, vandaag was het de koningin.

Tijdens het lopen naar de pont nam ik de pijntjes door. Geen blaren, een beetje zeurende pees bij m’n rechterenkel maar toen ik wat opgewarmd was was dat ook weg. Al met al best ok voor 30km op de teller.

In Vlissingen loopt het pad over de zeesluis, wat supercool is. Vervolgens verder over de boulevard, langs vele tentjes die allemaal dicht waren (sommige vanwege het seizoen, sommige omdat het voor tienen was). Het was heerlijk zonnig en ineens miste ik mijn moeder, die gewoon ergens binnen zou lopen en ze ervan zou overtuigen dat ze a) open waren en b) serveerden op het terras waar je c) vanaf nu mag roken. Ik ben niet zo assertief. Dus ik liep maar verder, langs een miljoenmiljard beelden, monumenten en bijbehorende bordjes. Ik werd er een beetje melancholisch van. Er zijn DUIZENDEN soldaten omgekomen op de kust van Walcheren. Goed om af en toe bij stil te staan.

Na Vlissingen gaat het Kustpad de duinen in. Laat me je iets vertellen over de duinen van Walcheren. Ze zijn smal. (Regelmatig maar één duin breed.) En ze zijn hoog. Als in trappen in plaats van paden want paden zouden te steil zijn. Ze zijn heel mooi. En er zijn masochisten die er kilometers lang overheen lopen met voor drie dagen eten op hun rug. Ik kreeg het er goed warm van, maar mijn rugzak zat net écht lekker en dat wilde ik niet zomaar opgeven, dus ik hield m’n jas aan.

Na 15 kilometer kwam ik in Zoutelande, waar zowaar! Iets! Open! Was! Het was lunchtijd, maar ze hadden voor mij niets te eten (geen probleem, ik heb eten zat, het leek me gewoon beleefd om iets te bestellen). Dus ik deed een wereldrecordpoging langzaam koffiedrinken terwijl ik genoot van de wifi. Toen bleken ze ook heerlijke thee te hebben. En ik ben twee keer naar de wc geweest, omdat het zo fijn was dat het kon.

Van het stilzitten ging m’n pees weer zeuren, dus haalde ik heel volwassen en verstandig een pak ibuprofen bij de supermarkt (de drogisterij was, je raadt het al, nog niet open).

Na Zoutelande liep de route voor het eerst echt over het strand. Heerlijk! Het was opkomend tij, maar het water stond nog laag genoeg dat ik onder de paalhoofden langs kon lopen. Paalhoofden zijn de rijen paaltjes die van de duinen richting zee staan om de golven te breken en zo het duin te beschermen. Ze lopen door tot boven de vloedlijn en de paaltjes staan te dicht bij elkaar om makkelijk tussendoor te kunnen, dus ik was erg blij dat ik onderdoor kon.

Het was erg rustig op het strand, met hoogstens een twintigtal wandelaars met honden. Één grote donkere Duitse herder kwam op me afgestormd en luisterde de eerste zes keer niet naar het geroep van het baasje. Omdat ‘ie zo donker was kon ik niet zien of hij wilde spelen of het strand wenste te zuiveren van Utrechtse invloeden, dus ik beleefde een paar gespannen momenten. (Hiermee bedoel ik dat ik doodsangsten uitstond en bijna over een rij paalhoofden was gesprongen, ik probeer volwassen over te komen.) Gelukkig luisterde de hond toen hij tot een meter of tien genaderd was alsnog en kwam ik met de schrik vrij. Even later deed ik mijn dagelijkse sokwissel. Daar spotte ik drie kleine blaartjes, die ik nog niet gevoeld had, maar toch maar afplakte want als je weet dat je ze hebt ga je ze ook voelen.

Na het strandintermezzo volgden er nog twee kilometer duinen waarna de route afboog, door Westkapelle en het polderlandschap erachter. Ik snap wel waarom de routemakers dat doen: “begin in Cadzand en volg de duinen of zeedijk tot Bad-Nieuweschans” is een vrij summiere routebeschrijving die niet iedereen zal bevallen. Maar ja, mij wel. Er zaten zeker zeer wandelwaardige stukken tussen, absoluut genieten, maar ik wilde gewoon terug naar de zee. Ik was wél heel blij dat de route langs de magnifieke vuurtoren van Westkapelle kwam, wat mijn vuurtorenobsessie weer voor weken heeft gevoed.

Om te bewijzen dat ik er heuswerkelijk was heb ik m’n voet er voor jullie in gefotosoept:

De route ging voor het eerst voor een langere periode over wegen met motorverkeer. Dan loop ik normaal altijd links, als een brave wandelaar. Alleen loopt daar de weg naar links af. Net als zo’n beetje de hele route doet omdat daar nou eenmaal de zee is. Mijn zeurende pees heeft hier genoeg van, dus besluit ik rechts te lopen, waar de weg naar rechts afloopt. De Duitse grijsaards op e-bikes die me met regelmaat rakelings passeren lijken het wel best te vinden gelukkig.

Ik doe expres rustig aan want mijn gastvrouw komt om half zes thuis. Om kwart over vijf leg ik in Domburg mijn zitmatje op de grond, Koekiemonster als voetenkussen een meter verderop, en knaag zeer tevreden twee nog verrassend frisse wortels weg.