Groots en meeslepend

Ik kreeg een nieuwe laptop. Hij heeft 64GB ram, wat acht keer zoveel is als mijn oude laptop. Alleen daarom ben ik al tamelijk in mijn nopjes.

Een nieuwe computer is een beetje als verhuizen, in de zin van dat je opnieuw na moet denken over wat je wel en niet gebruikt en nuttig vindt. (De huisgenoot vindt dat we weer eens moeten verhuizen. Ik geloof dat de dubbele rijen in de boekenkast daar iets mee van doen hebben. Maar dan moeten we een huis vinden met een huis ernaast voor de buurvrouw, en krijg dat maar eens voor elkaar in Utrecht.)

Het grote verschil tussen een computer verhuizen en een huis verhuizen is dat je bij het huis fysieke spullen hebt die allemaal door je handen gaan. (Zo vond ik bij de vorige verhuizing het deksel van mijn favoriete pan terug.) Bij een computer moet je dat maar zo’n beetje bedenken. Een groot deel van de dingen die je geinstalleerd hebt zijn ergens netjes buiten het zicht weggestopt. Dat maakt het ook een gelegenheid om alleen terug te zetten wat je ECHT gebruikt, en dingen nu gelijk goed te regelen vanaf een schoon uitgangspunt.

Om mezelf de volgende keer een hint te geven, dit is wat ik nu op mijn computer heb gezet:

  • Ubuntu LTS
  • vim, git, curl, wget, alien, …
  • bitwarden
  • pycharm
  • vs code
  • zsh + oh-my-zsh
  • slack, teams
  • firefox
  • pyenv-virtualenv
  • docker
  • tensorflow
  • cuda
  • gdal
  • qgis
  • gitlab runner

De kenner kan hier al uit afleiden wat mijn werk voornamelijk inhoudt :)

 

Levensregel 2: vindt je contacttaal

Ik vind heel veel dingen raar in het leven, maar bovenaan staat toch wel dat we geen les krijgen in hoe breinen en relaties daartussen werken. Hierdoor had ik jarenlang het idee dat dat iets is wat je gewoon hoort te weten. Maar nee! Iedereen doet maar wat! Op de paar mensen die van nature de sociale en emotionele intelligentie hebben om het zelf te snappen na, kloten we allemaal maar wat aan.

Daarom dacht ik, laat ik eens opschrijven wat ik geleerd heb, want dat had ik een paar jaar geleden graag willen lezen. Al had ik er dan waarschijnlijk niets mee gedaan.

Eerder in deze serie van vooralsnog onbepaalde lengte: niet verwijten

Elastieken. Knikkeren. Flippo’s.

Dawson’s Creek. GTST. Temptation Island.

Hangen in de kantine. Hangen in de faculteitsbar. Hangen in de stamkroeg.

Bij elk stadium van mijn kindertijd tot na mijn studententijd hoorden dingen die iedereen deed en waar ik halfslachtig aan mee deed, me ondertussen afvragend waarom we dit in hemelsnaam deden. Mijn gevoelens varieerden van een zekere interesse (flippo’s, want die kun je sorteren) tot uitgesproken afkeer (kroeg). Maar ik deed er maar aan mee, want dat is wat al mijn kennissen deden.

(Godzijdank was ik orthodox katholiek en hing ik dus ook veel in kerken en pastories, bij uitstek geschikte omgevingen voor de ongediagnosticeerde autist, anders was er helemaal niks van mijn sociale vaardigheden over gebleven.)

Contact met andere mensen is een diepe behoefte die bijna alle mensen delen. Ik heb perioden gedacht dat ik bij die kleine minderheid hoorde die dat niet had. Dat was omdat alle manieren waarop mensen in mijn omgeving contact met elkaar hadden voor mij pijnlijk waren. Dat maakte het wat lastig om te herkennen dat de behoefte er op zich wel was. Als je alleen kokend water mag drinken, ga je dan niet denken dat dorst er gewoon bijhoort? Gelukkig had ik in al die periodes ook wel echte vrienden waarmee ik in mijn behoefte voorzag.

Familiefeestjes en groepsborrels zijn voor mij verschrikkelijk – veel te veel input van alle kanten. Praten over koetjes en kalfjes vind ik vreselijk ingewikkeld. Ik kan mijn scriptjes afdraaien maar krijg er geen verbinding met iemand mee, dus het is nogal een verliespost: kost wel energie, geeft geen sociale afstemming. Of wat neurotypische mensen er ook mee weten te bereiken.

De laatste tien jaar heb ik geleerd hoe ik wel contact kan voelen met mensen en dat heeft mijn leven 1387,12 keer mooier gemaakt.

In groepen: zingen. Roeien. Dingen waarbij je woordeloos op elkaar afstemt. Voor mijn koor- en ploeggenootjes ga ik door het vuur. Waar die gevoelens vandaan komen? Van het zingen en roeien zelf. Ik kan niet beschrijven hoe heerlijk ik het vind om tegelijk op te gaan in het geheel en mijn eigen verantwoordelijk in het ensemble te nemen. (Toen ik laatst tegen mensen “zingen is net roeien” zei snapten ze dat niet, en ik snap niet hoe je dat niet kan snappen.)

Als er gepraat wordt vind ik drie de perfecte groepsgrootte. Drie is niet te veel om het over lekker inhoudelijke dingen te hebben, en je hebt wel af en toe pauze als de andere twee met elkaar praten. Eén op één kan ook, met mijn beste vrienden. Al vind ik dan drie alsnog heel fijn, omdat ik weinig leuker vind dan mijn vrienden die elkaar leren kennen en leuker maken.

Je hoeft geen autist te zijn om de standaard vormen van contact niet fijn te vinden – of wel okee op zich maar niet het beste. Nadeel is dat mensen zich soms afgewezen voelen als je hun manier van contact maken niet trekt. Maar gelukkig hoef je niet met iedereen dikke matties te zijn (dat was voor mij ook wel een kleine openbaring).

Vanmiddag kwamen twee ploeggenootjes op meer dan corona-afstand theedrinken en ik voelde me als een bloemetje waar de zon op begon te schijnen. Bijna iedereen heeft menselijk contact nodig. Als je de vormen vindt die voor jou werken en je niet te schuldig voelt om de andere vormen over te slaan, kan je daar ook ongecompliceerd van genieten. En dat is ontzettend waardevol.

 

Levensregel 1: niet verwijten

Ik vind heel veel dingen raar in het leven, maar bovenaan staat toch wel dat we geen les krijgen in hoe breinen en relaties daartussen werken. Hierdoor had ik jarenlang het idee dat dat iets is wat je gewoon hoort te weten. Maar nee! Iedereen doet maar wat! Op de paar mensen die van nature de sociale en emotionele intelligentie hebben om het zelf te snappen na, kloten we allemaal maar wat aan.

Daarom dacht ik, laat ik eens opschrijven wat ik geleerd heb, want dat had ik een paar jaar geleden graag willen lezen. Al had ik er dan waarschijnlijk niets mee gedaan.

Mijn meest behulpzame levensregel van het moment is:

Verwijt een ander pas iets als die redelijkerwijs kan weten dat ze je iets heeft aangedaan.

Deze regel helpt mij ZO ERG. Als het me lukt me eraan te houden.

Bijvoorbeeld: een collega belt je plat, ook als hij weet dat je vrij bent.
Ik kan daar goed pissig om worden, want iemand breekt in in iets waar hij geen recht op heeft, namelijk mijn vrije tijd. En ik voel me schuldig als ik niet opneem. En dan word ik dubbel pissig, want schuldig voelen is een vervelende emotie en die heb ik nu door hem. De lul.

Het gevolg is dat ik veel meer last heb van mijn reactie op de telefoontjes dan de telefoontjes zelf. En dat is goed nieuws, want aan mijn reactie kan ik makkelijk iets doen: opmerken dat die er is, het noteren als belangrijk signaal, en het dan loslaten omdat het zijn nut heeft gehad.

Mijn collega weet niet dat ik een hekel heb aan zijn telefoontjes want ik neem vaak vriendelijk op. Hij kan dus niet weten dat hij mij een rotgevoel bezorgt. Als ik hem dat ga verwijten is mijn rotgevoel pas opgelost als mijn collega iets verandert. Daar heb ik geen controle over, en hij is zich van geen kwaad bewust, dus dat gaat niet gebeuren. Ik schiet er daarom veel meer mee op door het hem niet te verwijten.

Wat ik wel kan doen is het in de toekomst proberen te voorkomen door de collega te vertellen dat ik het vervelend vind. Dan gaat het eerst nog tien keer mis, niet uit onwil maar uit onkunde. Uiteindelijk heb je ofwel de situatie opgelost door goede opvoeding, ofwel het blijkt dat hij werkelijk een zelfgecentreerde eikel is die vindt dat hij recht op je heeft zodra het hem uitkomt. Dan mag je heerlijk medicinaal zeiken bij je partner EN je collega aangeven bij z’n manager, wat allebei veel leuker is dan stilletjes zitten stomen over een rotsituatie.

De “redelijkerwijs” in “verwijt een ander pas iets als die redelijkerwijs kan weten dat ze je iets heeft aangedaan” is een krachtige nuance. In bijna alle gevallen betekent het dat je niet voor iemand anders in moet vullen wat haar percepties en motivaties zijn, maar haar moet vertellen dat iets vervelend voor je is. Soms mag je er op basis van culturele afspraken vanuit gaan dat iemand het sowieso weet, zoals wanneer een caissière je in plaats van je bonnetje te geven met een bezemsteel op je hoofd gaat slaan. Daar hoef je niet eerst over in gesprek.

Het is ook absoluut geen regel die betekent dat je dingen passief over je heen moet laten komen of alles maar moet accepteren. Ik druk mijn boosheid op iemand niet weg omdat ik boosheid verkeerd vind, maar omdat het mij niet helpt. Het opvatten als signaal dat er actie nodig is helpt mij WEL. Als dat signaal duidelijk is kost het verwijten me alleen nog maar energie en denktijd, die ik ook kan besteden aan taart bakken.

Deze levensregel is een subregel van “je hebt alleen controle over jezelf”, maar die is best lastig. Vandaar dat ik met een concrete implementatie begin. Wat is jouw (op dit moment) belangrijkste levensregel?

De maat der dingen

“Voor jou,” zei de aardrijkskundeleraar die de sponsorloop organiseerde, “heb ik speciaal een t-shirt apart gehouden.” Hij gaf het aan me met een lieve glimlach. Het was een unisex shirt, maat XL.

Als ik unisex shirts draag, wat ik liever niet doe want ik heb een taille en ben niet bang die te gebruiken, heb ik maat S. Bij vrouwenshirts heb ik meestal L en soms M of XL¹, afhankelijk van het merk. Toch geven mensen me altijd XL als ik ze niet tegenhoud. Ik ben namelijk heel erg lang. En verder dan dat kijken ze niet.

In abstractere vorm heb ik hetzelfde probleem. Mensen zien dat je goed bent in ding X (bijvoorbeeld sokken breien) en gaan ervan uit dat je dan ook wel goed bent in ding Y (bijvoorbeeld zorgen dat je genoeg schone sokken hebt, door de was te doen en zo). Bijna iedereen die ding X kan kan namelijk ook ding Y. Als je ding Y dan niet blijkt te kunnen treden er ineens allerlei onhandige processen op. Mensen gaan denken dat je het gewoon niet wil. Of een beetje beter je best moet doen. Of ding X eigenlijk helemaal niet kan? Als je Y niet eens kan, wat kan je dan wél?

Dit zie je op school, waar van je verwacht wordt dat je 1 schoolniveau hebt en dan Engels en wiskunde en tekenen en biologie op dat niveau doet. Als je dat met de helft van de vakken lukt en de andere helft niet ben je te dom en moet je maar een niveau omlaag. En je ziet het op het werk, waar je bijna altijd alleen door kan groeien als je niet alleen uitvoerend heel goed bent, maar ook planningen kunt maken, delegeren en adviseren.

Voor kleine autistjes, en grote, zijn deze blinde aannames extra vervelend. Een ongelijke verdeling van capaciteiten is een kenmerk van autisme. Zeker als je niet gediagnosticeerd bent kan dat tot grote frustratie leiden, omdat je niet snapt waarom iets niet lukt. Ik kan toch tienen halen voor Engels? Waarom lukt het inleveren van een boekverslag dan niet?

Maar ook als je het van jezelf weet blijft het extreem irritant. Als ik de huisgenoot² niet had zou ik niet meer dan 10 uur per week kunnen werken. Met huisgenoot kan ik werken, studeren, zingen in een koor en wedstrijden roeien. Puur omdat hij ‘s ochtends opstaat, ‘s avonds naar bed gaat, en daartussen drie maaltijden eet en mij vertelt dat ik weer eens moet stofzuigen. Allemaal dingen die ontzettend veel energie kosten als ik het zelf moet bedenken.

Leg dat maar eens uit aan het UWV. “Ja, programmeren is geen probleem, het is meer het lunch opeten waar het bij mij mis loopt.”

Ik vind dit een rottig onderwerp om over te praten, omdat ik geïnternaliseerd validisme heb (dat wil zeggen, ik vind mensen meer waard als ze meer kunnen, ook al weet ik dat dat onzin is) en omdat ik ook zelf de neiging heb om te denken “als je niet eens zelf op tijd naar bed kunt, wat kun je dat wel?” (Nou ja, programmeren dus. En sokken breien.) Ik geef niet graag toe dat ik niet voor mezelf kan zorgen. De verstrooide professor is een charmant stereotype, maar in het echte leven is het gewoon best wel onhandig als je onderbroeken op zijn. Of mensen je hele leven lang te veel of te weinig van je verwachten.

Er is geen makkelijke oplossing voor dit fenomeen. Het enige wat je kunt doen is elk individu leren kennen en niet verbaasd doen als iemand iets niet of juist heel goed blijkt te kunnen.

En mij geen shirts maat XL meer geven. Ik heb al meer pyjama’s dan ik nodig heb.

1. Die shirts zijn inderdaad meestal te kort, maar dat zijn shirts maat XL ook, want die zijn wijder, niet langer.
2. De persoon die op dit blog “de huisgenoot” heet is mijn lieftallige echtgenoot, die ik heb omdat ik hem lief vind, niet omdat hij m’n was doet. Dat laatste is bonus.

Avond

Ik fietste de wolken achterna.
Dit werd bemoeilijkt door de kale feiten dat zij op kilometers hoogte drijven en ik kramp had (in m’n voet).

Ondanks dat me vaak is verweten dat “jij loopt met je hoofd in,” etcetera
kwam ik niet nader dan Zeist.

Toch, als iemand me nu zou vertellen dat hij de wolken achterna gaat fietsen
zou ik het zeker niet afraden, en, denk ik, begrijpen waarom.