De zin en onzin van de DSM

Je kunt nauwelijks een uitleg over wat autisme is lezen, of de criteria van het handboek DSM-5 worden erbij gehaald. Die zijn niet zo gezellig geformuleerd, met termen als ‘blijvende tekorten’ en ‘beperkte interesse’. Sommige autisten herkennen zichzelf er ook niet in en vinden daarom dat er iets mis is met de DSM. Ik wil graag vertellen waarom volgens mij de DSM best prima is en je het absoluut niet moet gebruiken om autisme te beschrijven voor een breed publiek, of voor autisten zelf.

Is dat een tegenstelling? Nee! Want de DSM heeft één specifiek doel: psychologen en psychiaters helpen met zorgen dat ze over hetzelfde praten. Idealiter zorgt de DSM ervoor dat getrainde diagnostici dezelfde persoon hetzelfde categoriseren. Dat gaat goed, volgens verschillende onderzoeken.

Wat moet de DSM kunnen, volgens zichzelf? Onderscheid maken tussen mensen met en zonder stoornis, en tussen stoornissen onderling. Er is héél veel onderzoek gedaan naar en nog steeds discussie over hoe je dat nou het beste doet, maar het gaat dus al best aardig. We zijn niet voor niets ondertussen bij editie 5.

Maar juist doordat het goed is in onderscheid maken is het niet goed in beschrijven.

Denk even na over wat jou tot mens maakt. Waarin ben jij fundamenteel anders dan een tafel? Of als dat te veel is, van een hond?

Ok, nu speel ik diagnosticus. Ik heb drie vragen.

  1. Ben je een zoogdier?
  2. Heb je een snuit? (Steken je kaak en je neus samen uit je gezicht?)
  3. Heb je een luchtgat bovenop je hoofd?

Als je wel een zoogdier bent maar geen snuit hebt en ook geen luchtgat ben je waarschijnlijk een mens.

Wanneer je deze drie vragen toepast op alles op aarde selecteer je bijna alle mensen, en sluit je bijna alle niet-mensen uit. Dat maakt het een goede diagnostische test. Maar er zijn niet veel mensen die, als je ze vraagt om te vertellen wat een mens nou is, beginnen en eindigen met ‘een zoogdier zonder uitstekende kaak’.

En dat, meer nog dan het problematische taalgebruik, is waarom je de DSM niet moet gebruiken om te beschrijven wat autisme is.

Als je de DSM gebruikt als leidraad voor je omschrijving komt de nadruk automatisch te liggen op afwijkingen en problemen, omdat nergens in de DSM benoemd wordt wat de niet-problematische of ronduit leuke kanten van autisme zijn.

En het beschrijft alleen gedrag, terwijl ons gedrag voortkomt
uit een interactie met onze omgeving en onszelf
die zo intens is
dat we bij alles wat we doen
alle zeilen bij moeten zetten om te blijven functioneren.

De DSM kan dat niets schelen, en zegt alleen: je bent star.

Als ik geen gevoelloze autistische robot was zou ik er goed pissig om worden.

De DSM in de handen van een getrainde diagnosticus is heel goed in het aanwijzen van autisten. Maar het heeft geen flauw idee van wat een autist is. Dus als je dat wilt gaan beschrijven: verzin iets beters.

One thought on “De zin en onzin van de DSM”

  1. Had nog niet van (deze) dsm gehoord. (Die DSM in Limburg doet het ook wel aardig geloof ik voor een ietsje ander doel)
    Je hebt zelf al een goede manier gevonden om te beschrijven wat autisme voor jou inhoudt. Daar ben ik erg nee geholpen.
    Fijn weekend

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.