Levensregel 2: vindt je contacttaal

Ik vind heel veel dingen raar in het leven, maar bovenaan staat toch wel dat we geen les krijgen in hoe breinen en relaties daartussen werken. Hierdoor had ik jarenlang het idee dat dat iets is wat je gewoon hoort te weten. Maar nee! Iedereen doet maar wat! Op de paar mensen die van nature de sociale en emotionele intelligentie hebben om het zelf te snappen na, kloten we allemaal maar wat aan.

Daarom dacht ik, laat ik eens opschrijven wat ik geleerd heb, want dat had ik een paar jaar geleden graag willen lezen. Al had ik er dan waarschijnlijk niets mee gedaan.

Eerder in deze serie van vooralsnog onbepaalde lengte: niet verwijten

Elastieken. Knikkeren. Flippo’s.

Dawson’s Creek. GTST. Temptation Island.

Hangen in de kantine. Hangen in de faculteitsbar. Hangen in de stamkroeg.

Bij elk stadium van mijn kindertijd tot na mijn studententijd hoorden dingen die iedereen deed en waar ik halfslachtig aan mee deed, me ondertussen afvragend waarom we dit in hemelsnaam deden. Mijn gevoelens varieerden van een zekere interesse (flippo’s, want die kun je sorteren) tot uitgesproken afkeer (kroeg). Maar ik deed er maar aan mee, want dat is wat al mijn kennissen deden.

(Godzijdank was ik orthodox katholiek en hing ik dus ook veel in kerken en pastories, bij uitstek geschikte omgevingen voor de ongediagnosticeerde autist, anders was er helemaal niks van mijn sociale vaardigheden over gebleven.)

Contact met andere mensen is een diepe behoefte die bijna alle mensen delen. Ik heb perioden gedacht dat ik bij die kleine minderheid hoorde die dat niet had. Dat was omdat alle manieren waarop mensen in mijn omgeving contact met elkaar hadden voor mij pijnlijk waren. Dat maakte het wat lastig om te herkennen dat de behoefte er op zich wel was. Als je alleen kokend water mag drinken, ga je dan niet denken dat dorst er gewoon bijhoort? Gelukkig had ik in al die periodes ook wel echte vrienden waarmee ik in mijn behoefte voorzag.

Familiefeestjes en groepsborrels zijn voor mij verschrikkelijk – veel te veel input van alle kanten. Praten over koetjes en kalfjes vind ik vreselijk ingewikkeld. Ik kan mijn scriptjes afdraaien maar krijg er geen verbinding met iemand mee, dus het is nogal een verliespost: kost wel energie, geeft geen sociale afstemming. Of wat neurotypische mensen er ook mee weten te bereiken.

De laatste tien jaar heb ik geleerd hoe ik wel contact kan voelen met mensen en dat heeft mijn leven 1387,12 keer mooier gemaakt.

In groepen: zingen. Roeien. Dingen waarbij je woordeloos op elkaar afstemt. Voor mijn koor- en ploeggenootjes ga ik door het vuur. Waar die gevoelens vandaan komen? Van het zingen en roeien zelf. Ik kan niet beschrijven hoe heerlijk ik het vind om tegelijk op te gaan in het geheel en mijn eigen verantwoordelijk in het ensemble te nemen. (Toen ik laatst tegen mensen “zingen is net roeien” zei snapten ze dat niet, en ik snap niet hoe je dat niet kan snappen.)

Als er gepraat wordt vind ik drie de perfecte groepsgrootte. Drie is niet te veel om het over lekker inhoudelijke dingen te hebben, en je hebt wel af en toe pauze als de andere twee met elkaar praten. Eén op één kan ook, met mijn beste vrienden. Al vind ik dan drie alsnog heel fijn, omdat ik weinig leuker vind dan mijn vrienden die elkaar leren kennen en leuker maken.

Je hoeft geen autist te zijn om de standaard vormen van contact niet fijn te vinden – of wel okee op zich maar niet het beste. Nadeel is dat mensen zich soms afgewezen voelen als je hun manier van contact maken niet trekt. Maar gelukkig hoef je niet met iedereen dikke matties te zijn (dat was voor mij ook wel een kleine openbaring).

Vanmiddag kwamen twee ploeggenootjes op meer dan corona-afstand theedrinken en ik voelde me als een bloemetje waar de zon op begon te schijnen. Bijna iedereen heeft menselijk contact nodig. Als je de vormen vindt die voor jou werken en je niet te schuldig voelt om de andere vormen over te slaan, kan je daar ook ongecompliceerd van genieten. En dat is ontzettend waardevol.

 

Lockdown, welke lockdown

Het is begin juni, na 1/5e jaar lockdown, ik heb geen verhoging meer, en we zijn op het perfecte lockdownpunt aangekomen:

Bijna alles wat ik wil mag weer.
Heel veel dingen die ik niet wil mogen nog niet.

Ik heb de afgelopen week drie keer geroeid, een keer geracefietst, mijn stadsfiets bij de fietsenmaker opgehaald en er toen mee naar de bouwmarkt gereden waar het heel erg rustig was, een vuurtorentekening cadeau gekregen, pannenkoeken gebakken terwijl ik skypete met mijn jarig lief moederken, geborreld met een lieve vriend in onze tuin, thuis geprogrammeerd voor m’n werk, thuis geprogrammeerd voor de lol, en maandag ga ik met mijn vader naar de door hem zo geliefde theetuin die dan ook weer open mag.

Ik ben niet naar een luidruchtig kantoor geweest, heb geen feestjes of borrels overgeslagen waarvan mensen vonden dat ik er moest zijn, ben niet naar feestjes of borrels geweest waar ik niet wilde zijn, heb niet over een druk station geslalomd om de aansluiting te halen omdat mijn eerste trein altijd laat aankomt en alle mensen altijd langzaam lopen, en geen “fear of missing out” gehad omdat de huisgenoot naar een concert van Queen zou waar ik eigenlijk heel graag heen wilde maar wat waarschijnlijk te zwaar zou zijn.

Als het aan mij lag mocht dit nog wel even duren.

Corona: maand drie

Dit jaar zou onze eerste vakantie zonder boot in jaren zijn, en wilden we gaan fietsen in Engeland omdat dat nu nog makkelijk kan. Weet je nog, Brexit? Voor de pest uitbrak was dat iets heel groots.

Nu zijn alle grenzen dicht. Ik moet mijn vader weer eens vragen naar zijn reisverhalen oost van het IJzeren Gordijn. Dan werd gewoon je hele auto uit elkaar gehaald en weer teruggezet en mocht je daarna doorrijden. Wat een luxe!

In Nederland kun je natuurlijk ook heerlijk fietsen en dat gaan we dan ook doen. Alleen moet dat tijdens de schoolvakantie, omdat de huisgenoot docent is, en is de rest van Nederland dan ook aan het fietsen. Ik vind ergens zijn waar andere mensen zijn geen vakantie. Dus dat wordt nog wat.

Luxeproblemen.

Als het geen vakantie is werk ik nog steeds thuis, terwijl de huisgenoot steeds vaker naar school gaat omdat er ook in het MBO weer meer is toegestaan. Dat vind ik fijn omdat ik dan volledig m’n eigen gang kan gaan, en jammer omdat ik de huisgenoot aangenaam gezelschap vind en hem liever in de buurt heb.

We werken waarschijnlijk nog zeker tot september thuis, en mijn werkgever (de Rijksoverheid) wil daar een voorbeeldfunctie in nemen, dus waar sommige kantoren al een beetje smokkelen met verspreide werkplekken is dat voor ons absoluut niet aan de orde. Gelukkig heb ik mijn thuiswerkplek, die steeds fijner en vertrouwder voelt. Ik rammel fijn op mijn nieuwe mechanische toetsenbord met bloemetjes en wiebel op mijn nieuwe wiebelkruk (zonder bloemetjes). Alleen moet ik wel eerst m’n hele kamer opruimen, anders is dat ineens ESSENTIEEL terwijl ik net zit te vergaderen.

Het is fascinerend, hoe graag je dingen ineens wil zodra het niet meer mag.

Ik ben een beetje verkouden. Ik moet hoesten. En ik moet m’n fiets ophalen. Dat moest ik al dik een week, en na meerdere telefoontjes en sms’jes van de fietsenmaker heb ik dat afgelopen zaterdag gedaan – maar de reparatie was niet in orde, dus moest ik dinsdag weer terugkomen. Zondag kreeg ik verhoging, en dus huisarrest. En dan wordt bij elke temperatuurmeting en elke hoestbui de eierwekker weer op 24 uur gezet. Ik had mijn fiets vrolijk twee weken genegeerd en nu WIL IK MIJN FIETS maar ik mag hem niet ophalen van de minister-president.

Wat een eikel.

“Denk je dat het Corona is?” vroeg mijn manager (die er zelf flink ziek van is geweest). Het antwoord is: natuurlijk denk ik dat, en waarschijnlijk is het iets anders. Maar het mooie van het systeem is dat dat niet uitmaakt. Zo lang ik verkouden ben mag ik niet naar buiten. Ik vraag me nu ineens af of dit onze weerstand niet allemaal gaat verminderen, omdat we ook met de meer onschuldige virussen niet meer in aanraking komen?

Maar goed, ik ben dus thuis, wat ik de hele lockdown lang helemaal prima heb gevonden, en nu ineens heel stom. Gelukkig heeft mijn zwager de huisgenoot het geniale boek “Waar is de Wookiee?” meegegeven, waarschijnlijk omdat ons kleine neefje erop uitgekeken was. Helaas ben ik een autist en kost het vinden van de Wookie me tussen de 2 en 14 seconden per plaat (ik heb geteld). Dus het waren drie heerlijke minuten, maar ik ga maar weer een sok breien.

Corona, week – wie weet het nog?

Week 5? Week 6? Ik kwam in dienst toen het virus al regeerde en mijn proeftijd is bijna voorbij. We leven nog steeds in de corona-werkelijkheid.

Ik kreeg een kaartje in de bus (hoi, R!) van iemand die zich zorgen maakte omdat er geen nieuwe blogposts kwamen. Dat er geen nieuwe blogposts kwamen had een direct aanwijsbare reden, namelijk dat week 4 begon met het eerste (en voorlopig gelukkig het enige) corona-slachtoffer in mijn redelijk directe omgeving, en ik wist niet hoe ik daar over moest schrijven. Ik was er heel erg door van slag, maar natuurlijk niet alleen door wie de persoon zelf was maar ook om de manier waarop en dat we ook zo weinig voor zijn vrouw konden doen.

Nu lijkt de rust weer te zijn weergekeerd. Alle vrienden en kennissen met het virus zijn weer aan het opkrabbelen en de meeste singles hebben een isolatierelatie weten te regelen, dus maak ik me ook minder zorgen dat zij compleet vereenzamen. Een vriendin kwam zelfs een boek terugbrengen met de nieuwe liefde op sleeptouw, die gelijk werd goedgekeurd want a) hun namen komen voor 80% overeen en b) hij houdt van databases. Huwelijksmateriaal dus zou ik zeggen, en dat mag toch pas na de lockdown weer dus dat regelt zichzelf, qua geen overhaaste beslissingen.

Ik blijf het wel raar vinden, de lange rij voor de supermarkt waar je wacht tot je je karretje kunt ontsmetten. En misschien moet ik nu mijn proeftijd over is eindelijk eens mijn identificatie op gaan halen? Ik heb van vijf collega’s de slaapkamer gezien. De collega’s zelf heb ik nog niet ontmoet.

Ondertussen veranderen sommige dingen ook niet: ik heb bijvoorbeeld nieuwebaansyndroom, wat ik bij sommige projecten bij eerdere werkgevers ook had. Nieuwebaansyndroom betekent dat ik dingen ZO leuk vind dat ik het liefst tot twaalf uur ‘s nachts doorwerk en dan in m’n bed nog mentaal verder pingpong. Het vliegwiel moest hier even starten, maar ik begin steeds beter Python te leren en het ook steeds leuker te vinden en nu wil ik alleen maar meer, meer, meer. Verder heb ik ook m’n eerste bijdrage aan een open source-pakket gedaan in Python en dat was zo leuk en leerzaam dat ik dat ook meer wil gaan doen. Maar ja, ik heb ook nog een studie…

Zo kabbelen we voort!

Ik hoop stiekem toch wel dat er een vaccin komt.

Corona: weekend 4

Het eerste “echte” weekend, omdat ik afgelopen woensdag met m’n nieuwe baan begonnen ben. En gruwelijk mooi weer: zonnig, mild windje, twintig graden… waar wij doorgaans hevige zeil- respectievelijk roei-kriebels van zouden krijgen. Maar dat kan nu niet, dus kregen we ze niet. Lekker rustig!

Een mens-erger-je-niet bord, groen heeft gewonnen .

Op vrijdagavond richtte mijn vader via Skype een genadeloze moordpartij aan op het Mens-erger-je-niet-bord.

Een tuintafel in de zon met een krant, kookwekker en wolkom erop.

Op zaterdag namen we de kookwekker mee de achtertuin in om te weten wanneer de broodjes afgebakken zouden zijn…

Een vrij lelijke bos bloemen

…kreeg ik bloemen van mijn nieuwe werkgever…

…haakte ik de afscheiding van lijf en mouwen van mijn trui in wording…

…en begon ik aan een nieuwe sok, onder het motto “het leven is kort, breek nú je mooiste bol garen aan”.

Ik had zaterdag een extra relaxte dag want de huisgenoot was bereid boodschappen te doen. Omdat ik ook voor m’n vader boodschappen doe kom ik nogal vaak in de winkels, wat bloedirritant en behoorlijk stressvol is. Heerlijk om me op het opruimen van de boodschappen te kunnen storten. Ik bevond me de hele dag in de voor- of achtertuin (behalve bij het boodschappen opruimen, want die horen niet in de tuin), waarbij mijn locatie wordt bepaald door het ritme van de buurkinderen. De kinderen voor en achter wisselen hun krijsmomenten zo’n beetje af en ik kuier dan naar de plek zonder lawaai, als de maan en het getij.

Mensen die met me hebben gewerkt weten dat ik een lichte bakjesfetish heb. Ik nam vaak zowel ontbijt als lunch mee naar mijn werk en heb voor iedere soort voedsel een specifiek vervoermiddel die nu dus collectief staan te verstoffen want we gaan nergens. meer. heen. Zo ontdek je wel weer nieuwe dingen, zoals dat mijn havermout-ontbijtbakje PERFECT is om zelfgekweekte alfalfa fris in te houden.

Een kaiserbroodje met vegaburger. En alfalfa.

En dat levert lekkere vegaburgers op.

Op zondag kwam ik zowaar over de erfgrens, en fietsten we een rondje, waarbij mijn doel is mijn Twittervolgers te voorzien van premium lammetjescontent, en de huisgenoot zorgt dat we niet plat worden gereden. Ik vind fietsen in grote lijnen stressvol op het moment. Er zijn veel mensen en het waait. Maar we moeten wel blijven bewegen. En er zijn lammetjes. Dus.